Prekoloniale
geschiedenis
De vroegste sporen van menselijke bewoning op Curaçao zijn te
vinden te Rooi Rincón. Het betreft een abri, een schuilplaats in
de rotsen van zogenaamde meso-indianen, met een afvalhoop van
schelpen. Het gaat om artefacten: enkele krabbers en vormloze
steen splinters die voor verschillende doelen gebruikt kunnen
zijn. De dateringen liggen tussen 3480 en 2325 v. Chr..
Vergelijkbare resten zijn gevonden bij Kintján en bij Tafelberg.
Resten van aardewerk uit de neo-indiaanse periode zijn gevonden
bij Knip en San Juan. De dateringen liggen tussen 450 en 1405 na
Christus. Het materiaal behoort tot de Dabajuro-cultuur. Ook
zijn er rotstekeningen. Tegen het einde van de 15de eeuw woonden
op Curaçao Arowakken. Tegenwoordig deelt men deze voormalige
Indiaanse bewoners in bij de Taíno. De Taíno, leefden in kleine
nederzettingen met tot ongeveer 40 inwoners. De dorpjes lagen
vaak in de buurt van de zuid- en westkust, bij een bron van
drinkwater. De latere Taíno leefden van kleinschalige verbouw
van onder meer cassave, van visserij en het verzamelen van
schelpdieren, en van jacht op klein wild. Daarnaast dreven zij
handel met Indianen van andere eilanden en van het vasteland.
Woonplaatsen zijn gevonden bij onder andere Knip en Santa
Barbara. Wetenschappelijke aandacht voor de eerste bewoners van
de Nederlandse Antillen was er al vroeg. Zo voerde de amateur
A.J. van Koolwijk in de 19e eeuw veldverkenningen uit. Ook
inventariseerde hij de rotstekeningen op het eiland. Sindsdien
hebben velen zich bezig gehouden met de vroegste bewoners van
Curaçao.
 De
West Indische Compagnie
De West-Indische Compagnie (WIC) tekende in augustus 1634 de
overgave met de Spanjaarden bij San Juan. De ongeveer 30 op het
eiland aanwezige Spanjaarden en een groot deel van de Taíno
werden door de Nederlanders naar Venezuela gebracht en aan wal
gezet. Ongeveer 30 Taíno-gezinnen mochten op het eiland blijven
wonen. De reden voor de inval en verovering was, dat de WIC op
zoek was naar een uitvalsbasis voor handel en kaapvaart. Curaçao
lag gunstig ten opzichte van de Spaanse koloniën op het
vasteland. Ook had het de beste haven tot dan toe bekend in het
Caraïbisch gebied. Daarnaast zocht de WIC naar een goede bron
van zout. Zowel op de kust van Venezuela als op Bonaire waren
goede zoutpannen te vinden. Op Curaçao zelf was campechehout
(een grondstof voor een natuurlijke verf), vee, kalk en
brandstof te vinden. Na de verovering consolideerde de WIC zijn
aanspraken, door fortificaties te bouwen. Omdat drinkwater van
levensbelang was werd in 1634-35 een fort gebouwd bij de
waterbron aan de noordoostkant van de Sint Annabaai. Dit fort
bestond uit aarden wallen met een pallisade en enkele stukken
geschut. Rondom het fort werden voetangels gestrooid. In 1635-36
werd begonnen met de bouw van Fort Amsterdam op Punda. De eerste
bouwfase werd onder leiding van admiraal Johan van Walbeek
aangelegd in de vorm van een vijfpuntige ster en bestond uit een
kern van aarde en koraal. Hiertegen werd een schil opgetrokken
van met klei gemetseld koraal. Later werd deze schil opgetrokken
uit metselwerk. In de eerste drie jaren waren de
leefomstandigheden voor de WIC'ers slecht. Voor voedsel en
bouwmateriaal was men grotendeels afhankelijk van import uit
Europa. De toevoer was zeer onregelmatig; er kon meer dan een
half jaar voorbij gaan zonder aanvoer. Gevolg was dat veel
loslopend vee werd gevangen en geslacht. Ander voedsel ging op
rantsoen. Water moest vanaf de bron naar de Punda gebracht
worden. Soldaten en oversten sliepen in uiterst eenvoudige
behuizing; zeildoek werd opgespannen op een aantal palen. Een
deel van de soldaten werd door barre woonomstandigheden, slechte
voedselvoorziening en het harde werk maar vooral door de
eentonigheid en verveling ontevreden. Er leek muiterij op
handen, maar dit werd door verhoging van rantsoenen en
drankuitgave afgewend. Van Walbeek schreef naar de Heren XIX,
dat hij aanraadde om de salarissen en rantsoenen te verhogen,
omdat de soldaten niet waren aangenomen om fortificaties te
bouwen.
Slavenhandel
en vrijhaven
In 1665 begon de WIC met slavenhandel. De slaven werden
aangevoerd uit West-Afrika en werden op Curaçao aan land
gebracht, waar ze na de "middle passage" enige tijd kunnen
aansterken. De slaven werden verhandeld op een plaats die nu
Asiento heet, en ook op de plantage Zuurzak. Al snel ontstond
hier de belangrijkste regionale slavenmarkt. De WIC leverde
slaven tegen zeer scherpe prijzen en concurreerde zo de Engelse,
Franse en Portugese handelaren de markt uit. Slaven werden door
handelaren gekocht en vervolgens verscheept naar diverse
bestemmingen in Midden-Amerika en Zuid-Amerika. Een relatief
klein deel van de aangekomen Afrikanen bleef achter op Curaçao.
De meesten hiervan kwamen terecht op een van de plantages. Een
deel werd door handelaren en ambachtslieden gekocht en bleven zo
in de omgeving van Willemstad. Willemstad ontstond in de tweede
helft van de 17e eeuw en lag direct naast het fort, op het
huidige Punda. In de 18e eeuw werden ook (pak)huizen op
Otrabanda gebouwd. Vanwege de vrije geschutslinies waren er wel
regels verbonden aan de bouw van huizen op Otrabanda. De WIC
maakte Curaçao tot vrijhaven en verkreeg hierdoor een
sleutelpositie in de internationale handelsnetwerken. Mede
hierdoor werd Curaçao in de 17e eeuw een van de welvarendste
eilanden in het Caraïbisch gebied. Dit leidde tot kwaad bloed
bij andere mogendheden, met name Engeland en Frankrijk. Zodoende
werd Curaçao in 1713 korte tijd belegerd door de Franse
Kaapvaarder Jacques Cassard, die zich tenslotte liet afkopen.
Cassard had overigens geen schade aan bezit of bewoners van het
eiland toegebracht. In de 18e eeuw probeerde Curaçao zijn
handelspositie te consolideren. De handel op Venezuela en andere
Spaanse koloniën werd echter verhinderd door de Spaanse
kustwacht. Deze was speciaal aangesteld om de illegale handel
vanuit Venezuela in tabak en cacao een halt toe te roepen. De
Engelsen en Fransen werden in het Caraïbisch gebied steeds
sterker. De positie van Curaçao nam mede door deze factoren in
belang af. Ook was van belang, dat Curaçao niet geschikt was
voor de grootschalige verbouw van suikerriet, katoen, tabak of
andere tropische plantagegewassen. Pogingen daartoe werden eind
17e en begin 18e eeuw gestaakt. Andere eilanden, zoals Barbados,
genereerden wel grote inkomsten door plantagelandbouw. De
landbouw van Curaçao richtte zich op voedselvoorziening voor de
eigen bevolking. Desondanks werd een deel van het voedsel
geïmporteerd. Handel bleef de belangrijkste bron van inkomsten
voor Curaçao, niet in het minst vanwege de concurrerende prijzen
van de slaven.
 Nalatenschap
van het verleden
Op Curaçao zijn veel overblijfselen van het koloniale verleden.
Het duidelijkst is dat terug te zien in de bijzondere
architectuur van 17e- tot vroeg 20e eeuwse panden in Willemstad.
Vanwege de aard en dichtheid van de gebouwen staat een gedeelte
van de binnenstad van Willemstad op de Werelderfgoedlijst van
UNESCO. Ook zijn er landhuizen en voormalige plantagehuizen tot
monument verklaard.
Taal
Nederlands was de enige officiële taal, maar nu zijn Papiamentu,
Engels en Nederlands gezamenlijk officiële talen. Papiamentu is
ook moedertaal voor de meeste inheemse Curaçaoënaars. Naast deze
talen spreekt men ook Spaans. Verreweg de meeste Curaçaoënaars
kunnen alle hiervoor genoemde talen in meerdere of mindere mate
beheersen, maar er zijn ook buitenlanders die andere talen
kunnen spreken zoals Colombiaans, Haitiaans, Portugees, Vlaams,
en zelfs een beetje Chinees hier en daar.
Geografie
Curaçao is een tropisch eiland, gelegen in het zuidelijke deel
van de Caribische Zee. Het vormt samen met Bonaire, en Aruba, de
Benedenwindse Eilanden, geografisch de zogenaamde ABC-eilanden.
Curaçao is van deze drie eilanden het grootst. Curaçao bestaat
uit het eiland Curaçao en het eiland Klein Curaçao, dat 10
kilometer vanaf de oostkust ligt. Het hoogste punt is de Sint
Christoffelberg met 375 meter. Het eiland bestaat uit koraalkalk
en vulkanisch gesteente. Curaçao heeft zes natuurlijke havens,
ontstaan doordat de zee de koraalkalk heeft uitgehold. Aan de
zuidwestkant ligt de grootste daarvan, het Schottegat, de haven
van Willemstad. Gezegd wordt dat dit de grootste natuurlijke
haven ter wereld is. Rondom het Schottegat liggen het grootste
droogdok en de grootste olieraffinaderij in de regio, een
containerterminal, werven voor goederen en aanlegplaatsen voor
toeristenschepen. Het Schottegat wordt bereikt via de Sint
Annabaai. Aan weerszijden hiervan liggen de beide stadsdelen van
Willemstad: in het oosten het oudste gedeelte: Punda ('De Punt')
met vele winkeltjes en in het westen de wijk Otrobanda
(Papiaments voor 'De Andere kant'). Beide delen worden sinds
1886 door een houten pontonbrug (Koningin Emmabrug) met elkaar
verbonden. Aan de Ruyterkade is er een levendige 'drijvende
markt' waar veelal Venezolanen vanuit hun bootjes koopwaar
aanbieden aan klanten op de kade.
Economie
Curaçao leeft thans deels van handel, waaronder offshorehandel,
olieraffinage, en toerisme, dat vooral opkwam nadat de Verenigde
Staten een boycot tegen Cuba hadden ingesteld. Ook activiteiten
rondom de haven, zoals scheepsreparatie zijn belangrijk. De
rijkdom op het eiland is ongelijk verdeeld. Een kleine toplaag
van de bevolking is erg rijk; eenderde van de bevolking had in
2003 een jaarinkomen van minder dan twaalf duizend Antilliaanse
guldens (circa 5000 euro). Een recessie in de jaren 90 heeft de
positie van de al fragiele middenklasse nog kwetsbaarder
gemaakt. De recessie ging gepaard met een groeiende emigratie
naar Nederland.
Verkeer
en vervoer
Curaçao beschikt over een luchthaven (Curaçao International
Airport, ook wel bekend als Vliegveld Hato; voorheen Dr. Albert
Plesman Luchthaven).
Klimaat
en Natuur
Het klimaat van Curaçao is semi-aride; de gemiddelde regenval
bedraagt jaarlijks 550 mm. De vegetatie van de kunuku bestaat
voornamelijk uit verschillende soorten cactussen, laag
struikgewas, en lage bomen. De dividivi is een van de bekendste
bomen. Aloësoorten en agaves komen in verwilderde vorm voor.
Daarnaast groeien er verschillende kruiden en komen er ook
orchideeën voor. In het westen van het eiland bevinden zich twee
Natuurgebieden; Het gebied rond de Christoffelberg, het
Nationale park Christoffelpark en aangrenzend hieraan het
Nationaal Park Shete Boka. In het laatste gebied komen
zeeschildpadden voor. Bij Sint Willibordus is een natuurresvaat
waar flamingos voor komen.
Beroemdheden
van Curaçao
Izaline Calister, een jazz, etno-jazz en krioyo-zangeres
Randal Corsen, een jazz- en fusion-pianist
Andruw Jones, een honkbalspeler van Curaçaose komaf actief in de
Amerikaanse hoogste klasse
Tania Kross, mezzosopraan
Tip Marugg (1923-2006), schrijver en dichter
Hipólito Max Ocalia (1916-1984), naïef kunstschilder
Tula, aanvoerder slavenopstand 1795
Frank Martinus Arion schrijver van o.a. de roman 'Dubbelspel'
Daniel DeLeon, (1852-1914) een socialistische theoreticus.
|
 Spaanse
periode
Curaçao werd in 1499 "ontdekt" door de Spanjaard Alonso de Ojeda.
Op dat moment woonden er naar schatting ongeveer 2000 Taíno op
het eiland. In 1515 werden vrijwel alle Taíno als slaven
weggevoerd naar Hispaniola. De Spanjaarden vestigden zich
definitief op het eiland in 1527. Het eiland werd echter
bestuurd vanuit een van de Spaans-Venezolaanse steden. De
Spanjaarden importeerden veel exoten naar Curaçao. Paarden,
schapen, geiten, varkens en rundvee werden vanuit Europa of een
van de Spaanse koloniën op het eiland geïntroduceerd. Ook
diverse uitheemse bomen en planten werden door de Spanjaarden
aangeplant. Dat was vaak een kwestie van trial and error.
Vandaar dat zij ook gewassen en landbouwmethoden van de Taíno
leerden kennen en gebruiken. Parallellen op andere Caribische
eilanden zijn uit bronnen bekend. Niet alle ingevoerde exoten
hadden even veel succes. Met het vee ging het in het algemeen
goed; de Spanjaarden lieten het vee los lopen in de kunuku en op
de savanne's. Het vee werd gehoed door Taínos en Spanjaarden.
Schapen, geiten en rundvee deden het relatief het beste. Volgens
historische bronnen waren er duizenden op het eiland. Met de
landbouw ging het daarentegen beduidend slechter. Omdat de
opbrengsten van de Curaçaose agricultuur teleurstellend waren;
de zoutpannen geen hoge opbrengst hadden en er geen edelmetalen
te vinden waren, noemden de Spanjaarden het eiland een "isla
inutile", een nutteloos eiland. Na verloop van tijd nam het
aantal Spanjaarden dat op Curaçao woonde af. Daarentegen
stabiliseerde het aantal Indiaanse bewoners zich. Vermoedelijk
vond er door natuurlijke aanwas, terugkeer en kolonisatie, zelfs
bevolkingstoename van de Taíno plaats. In de laatste decennia
van de Spaanse bewoning werd Curaçao gebruikt als een grote
veehouderij. Spanjaarden woonden dan rond Santa Barbara; Santa
Ana en in dorpjes op het westelijke deel van het eiland. Taíno
woonden voor zover bekend verspreid over het eiland.
 Consolidatie
De Spanjaarden smeedden plannen om Curaçao te heroveren op de
Nederlanders. Informatie over troepenmacht, fortificaties,
buitenposten, voedselvoorraad en ammunitie werd verzameld op
drie manieren. Indianen die op Curaçao woonden werden ontvoerd
en verhoord. WIC-ers die zout kwamen halen op de kust van
Venezuela werden gevangen genomen en verhoord. Tenslotte
stuurden Spanjaarden spionnen naar Curaçao. Twee
landingsplaatsen lagen voor de hand: Piscaderabaai en het
Spaanse Water. Het Schottegat was te goed verdedigd. De
Spanjaarden brachten hun plannen ten uitvoer en voeren uit met
een aantal schepen. Deze zijn door een storm afgedreven en
hebben Curaçao nooit bereikt. Voor de WIC een geluk; de Spaanse
troepenmacht was sterker en had vermoedelijk gewonnen. De Heren
XIX in Amsterdam waren vanaf 1634 verdeeld over de toekomst van
Curaçao. De fortificaties en manschappen hadden veel geld gekost
en de opbrengsten waren mager. Toch werd Curaçao aangehouden,
vermoedelijk meer een gevolg van besluiteloosheid dan van een
beredeneerd besluit. Na verloop van tijd bewees Curaçao zijn
waarde voor de WIC. Na het verlies van Brazilië in 1654 werd
Curaçao steeds belangrijker. Door de gunstige geografische
positie was zowel handel op Terra Fierme (Venezuela) als op
andere Caraïbische eilanden mogelijk. Ook onderhield men
contacten met koloniën in Noord-Amerika, waaronder
Nieuw-Nederland. De Curaçaose bevolking groeide gestaag, mede
door de komst van Sefardische Joden uit Brazilië. Ook stelde de
WIC Curaçao open voor planters; Europeanen die zich wilden
vestigen om landbouw te bedrijven. Ook soldaten die hun tijd
uitgediend hadden waren welkom om te blijven. Vanzelfsprekend
was het doel om voldoende voedsel voor de Curaçaose bevolking te
produceren. Daarnaast wilde de WIC ook, dat planters
handelsgewassen gingen verbouwen. Hiertoe behoorden onder meer
indigo, katoen, tabak, Turkse tarwe (sorghum) en suikerriet. De
oudste tuinen (boerderijen) worden vermeld vanaf het begin van
de Nederlandse aanwezigheid; de eerste plantages werden
aangelegd vanaf rond 1650. Hato, Savonet, St. Barbara, Santa
Maria, Piscadera, Groot en Klein Sint Joris en San Juan zijn er
enkele van. Een deel van de plantages bleef in bezit van de WIC.
 Nederlandse
kolonie
Na het faillissement van de WIC in 1791 werd Curaçao een echte
Nederlandse kolonie. Van bezit van een consortium van private
aandeelhouders van de WIC werd Curaçao een deel van het
koninkrijk. In 1795 kwamen de slaven op Curaçao in opstand. De
opstand stond onder leiding van Tula, een slaaf die een centrale
rol speelt in de geschiedenis van Curaçao, de opstand werd na
een korte periode neergeslagen. In 1800 werd Curaçao bezet door
de Engelsen, die in 1803 door de plaatselijke bevolking werden
verdreven. In 1807 veroverden de Engelsen het eiland opnieuw.
Sinds 1816 valt Curaçao onder Nederlands bestuur. Kort daarna,
in 1830 verboden de Engelsen de internationale handel in slaven.
Dit leidde ertoe dat de handel in slaven economisch
onaantrekkelijk werd. In 1863 werd de slavernij in Curaçao
afgeschaft. De lokale economie raakte in het slop. Veel
voormalige slaven vonden het moeilijk om op Curaçao in hun
broodwinning te voorzien. Curaçaoenaars emigreerden in grote
getale naar plaatsen zoals Cuba om daar in suikerplantages te
werken. Tot in het begin van de 20e eeuw leefde Curaçao van
handel, landbouw en visserij. Het economische tij keerde in 1914
toen grote aardoliereserves in Venezuela werden ontdekt. Shell
vestigde meteen een olieraffinaderij op het eiland, overigens op
Asiento - dezelfde plaats waar eerder in slaven gehandeld werd.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog speelde het eiland een
belangrijke rol bij de levering van brandstof voor de
geallieerde troepen. In 1954 verkreeg Curaçao samen met de
andere Nederlandse Antillen politieke autonomie. In jaren
veertig en vijftig bracht raffinaderij toegenomen welvaart en
modernisering voor het eiland, maar de welvaart was ongelijk
verdeeld. De pas ontstane Curaçaose arbeidersklasse werd steeds
ontevredener met de loonpraktijken van de Koninklijke Shell. Ook
was de deelname van de Afro-Curaçaose bevolking aan het politiek
proces nog beperkt. Op 30 mei 1969 brak een arbeidersopstand uit
bij de ingangspoort van de Shell raffinaderij. Tijdens de opmars
naar de binnenstad werd onder andere de vakbondsleider Wilson
Godett neergeschoten en staken woedende arbeiders panden in
Punda en Otrabanda in brand. Nadat de lokale regering
Nederlandse mariniers hadden laten overvliegen om de orde te
herstellen, werd er flink gewerkt om de overheid te 'Antillianiseren'.
In de jaren tachtig verliet Shell Curaçao. De olieraffinaderij
wordt overgenomen door de Venezolaanse staatsoliemaatschappij
PDVSA.
Bevolking
Curaçao kent zeer diverse bevolkingsgroepen. De meerderheid is
Creool. Dit zijn mensen van gemengde Europese en Afrikaanse
afkomst die als inheems worden beschouwd. Daarnaast zijn er ook
minderheden van Europese Nederlanders, Chinezen, Portugezen,
Surinamers, Venezolanen, Brits-West-Indiërs, Dominicanen,
Haïtianen en Colombianen.
Religie
Het geloof op Curaçao bestaat uit 80% Katholiek, 15% overig en
5% geen geloof.
Naam
Over de oorsprong van de naam Curaçao bestaan verschillende
theorieën. Een gangbare verklaring is dat het is afgeleid van
het Portugese woord voor 'hart' (coração), wat zou verwijzen
naar het eiland als een een centrum van handel. Dit werd dan
door Spanjaarden overgenomen als Curaçao, wat gevolgd werd door
de Nederlanders. Een andere uitleg is dat Curaçao verwant is met
de naam die de oorspronkelijke inwoners gebruikten om zichzelf
mee aan te duiden (Joubert en Baart, 1994). Deze theorie wordt
ondersteund door vroege Spaanse reisverslagen, die de
inboorlingen aanduidden als "Indios Curaçaos". De naam "Curaçao"
heeft een associatie gekregen met een specifieke blauwtint, en
wordt soms gebruik als een adjectief, afkomstig van een
diepblauwe likeur met de naam "Blue Curaçao".
Politiek
Curaçao maakt deel uit van de Nederlandse Antillen, welke samen
met Nederland en Aruba tot het Koninkrijk der Nederlanden
behoort. Dit is vastgelegd in het Statuut voor het Koninkrijk
der Nederlanden op 15 december 1954. Het Koninkrijk bestond toen
uit Nederland, de Nederlandse Antillen en Suriname. Suriname
werd op 25 november 1975 onafhankelijk. Op 1 januari 1986 trad
Aruba uit de Nederlandse Antillen en verkreeg de Status aparte,
ofwel de status van land, vooruitlopend op de volledige
onafhankelijkheid. Vanaf dat moment bestond het Koninkrijk weer
uit drie delen. In 1994 is de bepaling over volledige
onafhankelijkheid per 1 januari 1996 geschrapt, waardoor Aruba
ook na 1996 deel uitmaakt van het koninkrijk.
Toekomst
Op 8 april 2005 is een referendum gehouden, waarin de bevolking
van Curaçao zich kon uitspreken over de gewenste staatkundige
toekomst van het eiland. De uitslag van het referendum, per
optie, was als volgt:
68% Optie A: Autonoom land
binnen het Koninkrijk der Nederlanden
5% Optie B: Behoud van de huidige Nederlandse Antillen
4% Optie C: Totale onafhankelijkheid
24% Optie D: Provincie van Nederland
De bevolking heeft met de
keuze voor optie A de wens van de meerderheid van de politici op
het eiland gevolgd. In het najaar van 2005 zal een
Rondetafelconferentie worden gehouden tussen Nederland, de
Nederlandse Antillen en Aruba. Hierop zal worden onderhandeld en
besloten over het toekomstige staatsverband binnen het
Koninkrijk der Nederlanden. De inzet van Curaçao en de andere
Antilliaanse eilanden is, om in juni 2007 de Nederlandse
Antillen als geheel op te heffen en de gewenste status per
eiland te verwezenlijken. Zie verder: Nederlandse Antillen. De
meningen van het volk zijn zeer uiteenlopend. De groep die
achter optie D staat is in de tijd na het referendum gegroeid.
Deze groep is van mening dat voor een beter en veiliger Curaçao
integratie met Nederland nodig is. Onder de slogan "P’e Kòrsou
ku nos meresé" (voor het Curaçao dat wij verdienen), pleiten zij
voor de integratie van Curaçao. Volgens een Internetpoll hebben
zij nu de meerderheid (55.1%)[1]. Bij een soortgelijk referendum
met exact dezelfde opties gehouden in 1993 was er nog een ruime
meerderheid voor voortzetting van de huidige situatie en was het
aantal optanten voor nauwere banden met Nederland nog vrij
gering. Tijdens een minirondetafelconferentie in Den Haag op 11
oktober 2006 is met Nederland overeengekomen dat Curaçao de
zogenaamde staus aparte staus zou krijgen. Curaçao zou hiermee
een autonoom land binnen het Koninkrijk der Nederlanden worden.
De Nederlandse regering heeft als onderdeel van dit accoord
aangeboden een groot deel van de staatsschuld te saneren of over
te nemen. De zogenaamde slotverklaring. Dit is door de
eilandraad van Curaçao verworpen wat voor de economische
toekomst van Curaçao rampzalige gevolgen zou kunnen hebben en
wat betekend dat door het uittreden van de andere eilanden uit
de Nederlandse Antillen, Curaçao als einige eiland binnen de
Nederlandse Antillen zou overblijven |